Cicuta virosa

De schaterweerling zetelt nors
op zijn groen uitgeslagen tors,
en knarsend dempt hij alle jolijt,
versomberd in zijn kille nijd.
De schaterweerling slangesist
dat ál moel worden uitgewist
wat zingt en speelt en kind verblijdt
en zich in erotiek vermeit.
De drijftil waar zijn lijf op deint,
waar zon niet in het water schijnt,
is voor hem nauwelijks nog reëel;
de weerling is zichzelf te veel.

1985
In: Hartgespan

Comments are closed.