Zeeland

Van zee doordrongen en weerbarstig land,
Verloren hier en elders weer genomen,
Bleef eeuw na eeuw een wankel broos bestand
Van man en zee: een hachelijk onderkomen.

Nietige brokjes achter dijk en strand,
Omringd door de ontzaggelijke stromen;
Vreze des Heren bleef alom geplant,
Ontzag beheerste zelfs de vrome dromen.

Toen sloeg de zee toe. Zij hernam haar rijk,
En diep gegriefd boden wij tegenspel:
Wij banden doodsgevaar uit naar weleer.

Getemd, geketend achter dam en dijk,
De dreiging nu. Maar is dit Zeeland wel?
Zijn wij, herrezen, nu onszelf niet meer?

25 augustus 1985
In: Hartgespan en Nienhuis

Comments are closed.