Noord-Brabant

Het stinkt er naar de roomse boerenbond,
Naar gier en vunze drijfmest allerwegen.
Hoe hier Gods volk de wijde stilten schond,
Het deert ze niet: de kerk is daar niet tegen.

Eens heide, onafzienbaar in het rond,
Waar wulpen jubelden en mensen zwegen.
Eens heldere beken, stinkend nu naar stront,
Toen zonnedauw en nu verzuurde regen.

Waar bleef de boer, hij die de grond beheert?
Hij werd tot smurrie-held gedegradeerd,
Verwoester van het erfdeel hem verleend.

Vervuild de vennen en de Peel verveend,
Verdroogd de bossen en de ziel versteend.
Waar bleef het edel Brabant dat zich weert?

20 augustus 1985
In: Hartgespan, Po√ęzie, Natuur en Milieu, Brabants Museum en Geen dag zonder gedicht

Comments are closed.