Ottershagen

Besloten schemerlandschap van struweel
Week toen uiteen voor gelukzaligheid
Van wemelend gejubel en gespeel,
Waar watersnip en grutto wijd en zijd
Zonovergoten bloemenweelde zagen:
In Ottershagen.

Wuivend in zomerwind, een weidse pracht
Van orchidee├źn, zeggen, gentiaan,
Parnassia, en telkens, onverwacht,
Een geur, een tint, als overal vandaan.
Zo rijk, zo diep vervuld waren de dagen:
In Ottershagen.

Maar voor de Mammondienaar van de staat
Waren dit ‘woeste gronden’, waardeloos,
Die men ontwateren en vernielen gaat.
‘Vooruitgang’ heet men dit: hoe hol, hoe voos!
Wie beter wist werd weggehoond, verslagen,
In Ottershagen.

Gebrul van monsters zou en moest het zacht
Verinnigd zingend zoemen ruw verjagen.
Een paradijs werd zinneloos verkracht,
Opengescheurd, vernietigd, omgebracht,
In Ottershagen.

En thans? Nu zijn die ‘gronden’ waarlijk woest,
Ledige doodsheid, varkensgras en raai,
Waar duizendvoudig leven wijken moest.
Soms klinkt het schorre krassen van een kraai.
Zo gaat zelfs de herinnering vervagen
Aan Ottershagen.

1987
In: Hartgespan, Jaarboek Twente, Groesbeeks Milieujournaal en Geen dag zonder gedicht

Comments are closed.