Vuur

De vlammen vlagen in den nacht
hun wild en grillig schrift.
Wie heeft hen in dien ban gebracht,
wie achterhaalt hun drift?
Met violette tongen klaagt
verzengd sequoiahout;
een fladderende schaduw vaagt
reusachtig langs het woud.
De vonken dwalen schichtig uit
den tooverkring van licht, –
die ongewis en zwichtend stuit
op duister overwicht –
waarin zij vonkend zijn hergloeid
tot oogen groen en fel
fosforesceerend, star geboeid,
verslaafd aan eigen hel.
Wie weet wanneer de nacht besprong
het krimpen van dien gloed,
met zwarte klauwen binnendrong
in oud en wankel bloed?
Doch elke onverteerde brand
gaat zwanger van zichzelf,
breekt uit en zweept het zwarte land
terug naar een nieuw gewelf.
De polsslag van een drachtig vuur
jaagt voort, wanneer bevrijd?
Hoe dureloos een vuren uur
terzijde van den tijd —

29 april 1945
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.