Corsica

Uit schuim en lauwe golven rijst als doem
Een barse rotskust, rossig, dor van zout.
Gekroond door macchia geurig vol gezoem,
En ver daarboven het kastanjewoud.

Nog hoger: dennen, machtig, eeuwen oud,
En dan de sneeuw, met nog een enkele bloem.
Zo ook de mensen: heet en dan weer koud,
Verbeten terend op fossiele roem.

Fel, ruw en bitter wordt een twist beslecht,
En zelden hoort men er een teder woord.
De vloeken galmen in de kroegen rond.

Zeerovers en een keizer bacht het voort,
Dit eiland, dat zich nooit tot iets verbond,
Met mannen eigenmachtig in hun recht.

15 september 1985.

Comments are closed.