Ree

Zij is van haar gemaal de laatste vondst.
Hij trof haar toen de roode zon vergleed
in nevels en het berkenwoud te wreed
en leeg werd voor het laaien van zijn bronst.

Zij stond daar, rank en koel, en oversponsd
van vochtig licht – een ongenaakbaar kleed –
en bijna blond, als achteloos, gereed
voor ‘t bloed dat in zijn strenge slapen gonst.

Hj wint haar jeugd – haar wezen vindt hij niet:
zij is met rits’lend gouden varens één,
en in den huiver van zijn herfstig lied

weet zij zich van den wind een wilde bruid.
Doch koel geeft zij den blesbok zich te leen:
zij is zijn hinde en zijn jonge buit.

voorjaar 1945
In:
Levend Barnsteen
Meulenhofs dagkalender

Comments are closed.