Zoontje

Zijn ogen zijn twee gentianen
die zich verwonderen over een droom.
Zijn lach breekt stralend door de tranen
en houdt een klein verdriet in toom.
Zijn stem kan licht verzwevend zingen,
aarzelend als een luwe wind;
zijn benen zijn twee vreemdelingen,
de weg de vraag die hen verbindt.
Hij jubelt als een lentemorgen
wanneer hij jonge bloemen plukt;
hij kent geen wereld en geen zorgen,
al is er niets dat hem gelukt.
De tederheid van heel het leven
gaat van zijn pril bewegen uit,
tot hij slapend is stil gebleven
en de merel voor hem fluit.

augustus 1949

Comments are closed.