Kinderwereld

Ik heb de aarde diep genoten,
zij heeft mij nooit haar geur verhuld.
Het kind dat stil met bloemen speelt
wordt door de horde uitgestoten:
is dan zijn jeugd misdeeld?

Verrukking om het pril bedauwde,
in ochtendlicht herboren gras,
waarin het mij te moede was
of ik een ijler wereld bouwde
die al mijn leed genas –

Verrukking om het verre blinken
der ondoorgrond’lijke rivier
waarin ik soms een donker dier
zag duiken en dan glanzend zinken,
verdwijnend in het wier –

Verrukking om de wilde geuren
van bloemen in een lichte nacht
waarin men mij te slapen dacht,
en ik de stilte ging bespeuren
door nacht en maan gebracht –

De school, o vloek voor ziel en leven,
wat wist zij van mijn blijden schroom,
wat bracht zij anders dan een droom
van al waaruit ik werd verdreven,
en doodsangst voor de hoon

van wie de lessen met mij deelden?
Zij waren mij een zwart gevaar
dat ik ontvluchtte jaar op jaar:
terwijl zij rauw en krijsend speelden
zocht ik mijn vlinderpaar.

Niet zij ontstalen mij mijn aarde,
doch ene die mij nimmer zag.
O, geurend haar, o, lentelach
die ik als blijde schrik bewaarde –
haar bloei doordrong mijn dag.

Ik heb haar naam niet durven noemen.
Nooit heb ik meer in ‘t gras gevlijd
mij argeloos en toegewijd:
O wrede geur van wilde bloemen,
O wrange eenzaamheid –

6-1-1946

Comments are closed.