Afscheid

Ik wacht u morgen waar de winde bloeit,
verborgen in het wit verweerde zand.
Daar druk ik voor het laatst uw harde hand
en ben nog eenmaal door uw blik geboeid.

Gij brengt mij zwijgend naar het rauwe strand
vanwaar de boot mij door de branding roeit:
ik wijk voor een verbeten dwingeland,
gij blijft, hoe diep gij de tiran verfoeit.

Gij zult hem nazien die van vrijheid praat;
dan zult gij langzaam door de duinen gaan
en keren naar de taak die hij verliet.

Gij zijt een boom en kunt niet elders staan.
Gij weert u en u wacht in uw gebied
den tijd van het verachtelijk verraad.

26 november 1945

Comments are closed.