Natuur en Poëzie

Natuur en poezie
De ware poezie komt meestal van waar men haar niet verwacht. Van een bioloog bijvoorbeeld, die in Nederlandse natuurmonumenten rondzwerft. Men schrikke niet; geen dweepzieke Wandervogel-lyriek, geen divagatiën over de schoonheid van herfstrozen en verlaten duinterreinen, maar een licht, veerkrachtig spel met de elementen die de natuurliefhebber ter beschikking staan. Bij Vic Westhoff (Levend Barnsteen; De Bezige Bij) staan natuur en poëzie in een volkomen nieuwe verhouding; hij schept met vrijwel geheel eigen middelen uit de vele beelden die zich in de natuur aan hem voordoen, uit zijn vakjargon, uit Latijnse namen zelfs (“een koele algenfee” rijmt op: “het sterrenkroos, Callitriche”!), een zeer eigen poëzie, zeer beeldend (een vlieg boven het water “dwarrelt van maan naar rimpelmaan”), speels en zeer oorspronkelijk. Hij benadert de natuur niet met net verlangen van de vermoeide stadsmens, maar op de wijze waarop zij zich alleen vangen laat: met de verliefde toewijding van de minnaar en met de ter zake kundige terminologie die zich daarvoor ontwikkeld heeft (maar in poëticis nog nooit werd gebruikt). De natuur schijnt hem hiervoor genadig te zijn – zij gaf hem dit vers in de pen:

SPRENGENDAL
Vif goudiggroen kussen welt vloeiend water,
glinsterend tussen knisterend mos;
in honderden lussen wringt het zich los –
een flonkering later zenden de russen
het jonge geklater streng in het bos.

(Russen zijn, mag men het woordenboek geloven, “een lange oeverplant, eigen aan vochtige veenachtige graslanden”, een soort lis waarschijnlijk.)

Comments are closed.