Kringloop

Verzonken weelde, ongeschonden
door hoog gestolden winterbrand,
gewoeld in blauwzwart bodemzand,
raakt uit de diepten losgewonden.

De lichtend groene wieren streven
in vlagen naar den zoelen spiegel,
elk nog gebed in donk’ren wiegel
waarin zij afgezonderd zweven.

Dan rijst de koele algenfee
en laat de groene haren glijden
tot zij een kroon op water spreiden:
het sterrekroos, Callitriche.

Doorzichtig weeke snoeren rijpen
waar starre vorschen knorrend paren;
zij strengelen zich door waterblaren,
ontwijken glibbend hong’rig grijpen.

Doch in het wild en warrig groeien
van zomerdrift gaat ál verloren,
wat eenzaam, schoon en uitverkoren
ontlook in klaar en donker vloeien.

De lauwe brei van stengelwoelen
kan zich ternauwernood ontplooien
in kleffe zwermen watervlooien.
Uit snoeren barst een zwart krioelen.

Zoo kleeft de massa, juist ontijsd,
die in haar watervlooiengeest
all’ afgezonderdheden vreest
en blindelings om gemeenschap krijscht.

De glanzend stille voorjaarswieren
gunt zij geen ingekeerd bestaan.
Zichzelf-zijn heet een ijd’le waan:
zij eischt een kluit tevreden dieren.

Zooals de herfst dien zwijmel vond
en tot een rottend slijk deed slinken,
zoo spoorloos zal de massa zinken
die al wat eenzaam was verslond.

voorjaar 1945
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.