Kortenhoef in ijs

Zacht wiegend glijden wij voorbij het riet
verstard in deining, elyseesch gewas.
Verstorven nest, eens van een karekiet,
spiegelt roerloos in den gestolden plas.

De koperroode biezen wuiven niet.
Tegen een sneeuwbed, dekkend diepzwart glas,
heft zich hun gloed, nagloeiend in ‘t verschiet:
het koude vuur van het verstijfd moeras.

Zoo wijde rust en strakke helderheid
vervreemdt wie zich, onstuimig en vitaal,
van broeiend leven nog niet had bevrijd

een wijle van zijn innerlijken strijd:
hij voelt zich klinkend worden als metaal
en ademt een verpuurde werkelijkheid.

ongeveer 1944
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.