Adagio voor November

De velduil wiekt met donzen slag
onhoorbaar door den valen dag,
en uil na uil schijnt op te klimmen:
een trage vlucht van weeke schimmen.

De mist woelt om de naakte berken.
Zij druppen stugger, nu zij merken
dat zelfs hun gratie schade lijdt
van sluwen guren winternijd.

Jeneverbessen staan als draken
de heidespoken te bewaken.
Het bruin gewas verdoezelt snel,
de mossen echter groenen fel.

Een doodelijke stilte schroeft
elk schepsel, dat er dralend toeft
in leegen nevel, grel en kil,
waar zelfs geen eekhoorn springen wil.

Wel buit’len nog de meezen, ijl
en zwart, in sparren norsch en steil.
Bijwijlen hun beschroomde zang,
op tintelend: “waartoe? hòelang?”

1945
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.