Herinnering aan de Peel

Open venen reiken wild
hong’rend naar den horizon,
waar hun deinend lichaam trilt,
zomergloed hun koelten won.

Zengend zuigt de zon het bolle
veenmos, dat zich soepel weert,
in gesloten zure pollen
op zijn diepe sappen teert.

Om die groene sponzen spinnen
purperfijne veenbesranken,
teeder roode bloemen winnend,
dwergcyclamen, brozer, slanker.

Tint’lend wit van donzen vlokken:
wuivend veenpluis, neergesneeuwd
als het schuim der bruine bokken,
in hun bronst hier uitgeschreeuwd.

In smaragd’ en bronzen gloed,
wiegend, gonzend, veerend zacht,
ziedend als de veenbrand wordt,
nevelzee in najaarsnacht,

zingt de vlakte in zichzelve
haar verwijderd vogellied;
stijgt de leeuwerik uit de schelven
van vergeten winterriet,

ijl der wulpen roep vertolkend,
wier verzaligd jubelen glijdt
als de schaduw van de wolken,
als de weemoed van den tijd.

En het blaten, dalend schreien,
rusteloos, der watersnippen,
en de boomvalk, die zijn vrije
felle kreten hoog laat glippen,

al dit sidderende vloeien
en der kimmen heete trillen
doen een vreemde spanning groeien
waar de ruimte rust zou willen.

Zelfs de blinkend zwarte plassen,
die uw stilste midden leken,
dempt een stuwing van gewassen,
tot hun zwarte spiegels breken

waar het veenmos duizendvoudig
met zijn toppen aan hen raakt,
in een glinstering groen-goudig
wolken en azuur verzaakt.

0 gij eindelooze venen,
gansch vervuld van dier en plant,
in uw ruimte ons verschenen
ondoorgrondelijk diep verband!

Eenzaam dunkt gij slechts den menschen,
blind vijandig in hun nood,
die uw harmonie verwenschen,
sponzen bed van liefde en dood!

17 januari 1945
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.