Alnetum

Voor Jules

Wie zal uw aard verklaren:
geen woud en geen moeras,
waar tot voor dertig jaren
nog open water was?

De wilgen staan vergeten,
geklemd in groenenbaaierd.
Het riet streeft op, verbeten,
door bladeren omwaaierd.

De weifelende winde
klimt in het weeke hout,
en hop-lianen binden
de elzen in hun goud.

Het kruid staat heet te dampen,
zoo welig als zijn namen;
wie er zich vast wil klampen
ontmoet toornige bramen.

Het zonlicht wil doorboren
het loover, doet verstrakken
de slijmerige sporen
van glanzend zwarte slakken.

Scylla uw zwarte drasse
grond, Charybdis uw muggen.
Wij sluipen er en plassen
met diep gebogen ruggen.

Vijandig en gesloten
blijft uw verward gebied.
De vogels, toegeschoten,
kwett’ren een tergend lied.

4 januari 1945
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.