Donzen Thijmvlieg

Mij verteert een hooger heimwee
naar de geurend roode thijmzee,
naar de balsem mijner bloemen
wachtende mijn fijne zoemen,
spelen, tuim’len, peinzend zweven,
duiken in ‘t zich deinzend geven
van scharlaken bloemenwoning,
warme nectar, zoele honing
purend uit een vurig wuiven –
en het ongedurig stuiven
om mijn lichaam, donzen blonde,
stofgoud zaam’lend al in ‘t ronde,
gonzend ijler dan de bijen –
na dit vluchtige vermeien
naar een feller gloed te neigen,
sneller dan een zucht t’ontstijgen
naar de heete sidderluchten
die de trager wezens duchten;
om mij vonken als juweelen
bonte glanzender gespelen,
zwenken scherp en ingetogen,
zweven hooger, onbewogen –

0 verraderlijke schaduw,
smadelijker dan de zwaluw,
die mij in een duister sloeg,
uit mijn fluistertuinen droeg,
ver van vreugdezachte kelken
waar mijn lichte vleugels welken …
Spijzen wil ik niet beroeren,
zoele reizen niet volvoeren
mij verteert een hooger heimwee
naar de geurend roode thijmzee …

Voorjaar 1945
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.