Berk

Voor A. M.

Koeler dan de zomernachten,
blanker dan het morgenlicht
is het zachte elfenlachen
in haar zilv’ren schors verdicht.

In een argeloos ontwaken
als haar teeder groen ontspringt,
laat zij, zwellend, aan zich raken
streelend luwe voorjaatswind –

streeling van den wind, liefkozend
haar onstuimig stijgend bloed,
is het wonder dat haar, blozend,
overstuift met gouden gloed.

Wie weerstaat haar blonde bloeien?
Niet de tuimelende fitis,
door haar ranke twijgen stoeiend
licht en teeder als zijn lied is.

In den loomen zomer lijken
nog haar bladeren frisch en schuchter;
haar beschermen strenge eiken,
zwaar en knoestig en geduchter.

Trekt de zwaluw langs, verhalend
van een herfst en donker sterven,
dan verjongt zij zich, in stralend
blonden tooi zelf licht verwervend.

Gouden vlokken laat ontzweven
haar de wind, hij troost haar snel:
purp’ren twijgen blijven leven,
wuiven in rank lijnenspel.

Als de eiken donker kreunen,
droomt haar buigend lichte stam
van den wind – stil in hem leunend
die haar bloei bracht en ontnam.

Koeler dan de zomernachten,
blanker dan het morgenlicht
is het zachte elfenlachen
in haar zilv’ren schors verdicht.

ongeveer 1944
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.