Aan de systematici

Wij trage rifkoralen,
die in elkander groeien,
wier vormen als vocalen
gedurig samenvloeien
wij honen uw systemen,
uw regen van emblemen,
uw dorre soortsproblemen:
wij zijn van één geslacht!

Wij doode olifanten
van tertiaire tijden,
zijn wij elkaars verwanten?
Wij zullen ‘t niet bestrijden.
Wij lachen om de normen
waarmee gij ons wilt vormen;
ons wezen vraten wormen,
de knekels zijn uw heil!

Wij dartele pluvieren,
gemarmerd bont’ en grijze,
zijn er voor ons plezier en
niet voor uw soortsbewijzen.

Voort langs de wijde stranden!
ontvliet die klamme handen,
waar wij als stof belanden,
maar zwier en gratie niet!

Wij weeke levermossen,
wars van het vast-omlijnde,
vergank’lijker en brosser
dan al het grillig zijnde,
wij blijven samenspannen
u uit ons rijk te bannen:
gedoemd zijn alle plannen
waarin gij ons boetseert!

Wij tropenorchideeën
in ons bedwelmend geuren,
die glanzen als cameeën,
wat wilt gij met ons leuren?
Wij laten ons niet drogen,
wij tarten al uw pogen,
wij zullen nooit gedoogen
dat gij ons rubriceert!

17 januari 1945
In:
Zonneveld

Comments are closed.