Kameraad

Ik ken het land niet, dat jou voortbracht, kameraad,
ik weet slechts, dat je aan mijn zij wilt strijden;
bij dit lijden verdwijnen inderdaad
alle verschillen, wij werken zwijgend beiden.

Jij werd geboren in een kleine grijze tent,
ver weg in Tibet, en je haat Europeanen;
‘t is als een wonder, dat je nu mijn broeder bent,
onze gedachten vloeien zonder woorden samen.

Ons bijeen bracht de afschuw van het moorden,
d’ intense drang, te helpen wat hier lijdt;
nu Spanje bijna sterft, treft d’ ongehoorde
stille volharding ons als diep verwijt

dat wij niet éérder allen deden wat we konden,
dat we zólang toeschouwer zijn geweest,
dat we niet éérder braken banden, die ons bonden,
om mee te strijden tegen de overmacht van ‘t beest.

Misschien is dit de zin van al die wonden,
al die vernietiging, van al het bloed dat vloeit,
dat wij aan Spanje’s grens elkander vonden,
tussen ons allen nieuwe kameraadschap bloeit.

Montpellier, 1939

Comments are closed.