Lichtende zee

Voor N.

Weer breekt om ons het diep geluid
van nachtelijke branding uit,
nu wij het hooge donk’re land
verlaten voor het helder strand.
De duizelende sterrenpracht
schijnt zich te spiegelen in het zacht
flonk’rend getintel, waar wij gaan
in ‘t zand, verradend onze baan:
duizenden zeevonken, nog nat,
na vloed als schuim uiteengespat:
stervende worp van ‘t bleeke lichten
waarin de zee glanst; bij het zwichten
der golven straalt het helderder,
over de branding vloeiend ver.

Geen vreugde is zoo ijl en diep
als ingaan waar dit licht ons riep,
de koele deining tegemoet
stuwend ons lichaam, zachten gloed
omarmend in een wijden slag,
doordrongen van een vreemd ontzag.
Elke beweging sterkt het licht,
om mij vloeit zilver, mijn gezicht
lijkt milden maanglans uit te stralen,
en waar ik zwem met forsche halen
blijft nog een zilverscheem’rend spoor –
gaat in de deinig weer teloor.

Als onze liefde is deze zee,
wijd, eindeloos, waarin ik gleê:
euwig bewegend, eeuwig zingend,
altijd zichzelf, het leven dwingend,
in zich opnemend al het leed
tot diepten waar geen meer van weet,
opvangend elken donk’ren druk,
dragend ons fonkelend geluk
en lichtend in een teederen gloed
als ik je, koel en zacht, ontmoet …

ongeveer 1944
In: Levend Barnsteen

Comments are closed.