De Hogepriester

Vergeefs doorschouw ik ‘s mensen geest en ziel;
de goden blijven toornig mij ontwijken.
Al draai ik duizendmaal het heilig Wiel,
toch kan ik de Verlichting niet bereiken.

Vergeefs ook dat ik tot magie verviel,
en Haar mijn onderworpenheid laat blijken
als ik voor Haar sinist’re beeltenis kniel,
Haar zegekar voortijlend over lijken.

Nog blijft het duister wat ik heb misdreven
in een ontredderd en verloren leven,
lang eer mijn karma dit omhulsel vond.

Wat rest mij anders dan te blijven streven?
Zou ik mij aan mijn lot gewonnen geven,
was ik dan meer dan een verdronken hond?


4 augustus 1985
In: Vier Dimensies en Kunst & Wetenschap

Comments are closed.